lieve papa,

Buiten kraaien de papegaaien, de haan gilt, papa, het is godverdomme Kerstmis. Het lukt me niet om deze dagen onbewogen aan me voorbij te laten glijden, en volgens mij zit jij hierachter. Elke ochtend, bijna elke ochtend steek ik een kaarsje voor je op, je weet het, je bent erbij, ik weet het. We hebben het over zoveel niet gehad, we zouden het over zoveel kunnen hebben. Ik leid het leven dat jij bewonderde, een schrijver alleen op een eiland. Het leven dat je misschien je geleerde zoon had toebedacht, maar dat verdomd die dwarse dochter te pakken heeft.

Ik vraag me af hoe het zou zijn als ik je zou tegenkomen, als een vreemde, even oud als ik, vooruit in de kroeg. Ik zou voor je vallen. Mijn hart zou in de lach schieten van je lompe eerlijkheid en je hooghartige gelul, mijn vlees zou gewillig verzwakken van je kritische intelligentie, die aanmatigende minachting. Ik zou je vragen of je wat van je geile Frans in mijn oor zou willen fluisteren, kom Theo brom eens wat Franse amourettes in mijn oor, dichtbij met je snor tegen mijn lelletje, die snor die me laat voelen dat ik de baas niet ben, toen niet, nu niet, en straks niet als je me meeneemt in je patserige BMW die destijds nog geen ordinaire auto was en nu evenmin omdat jij achter het stuur zit en ik ernaast. Of misschien mag ik achter het stuur, voor een keer, terwijl jouw handen mijn borsten kneden. Zachtjes papa, zachtjes. Hou je van seks, ken je het gevoel dat je niet meer weet wie je bent, en waar je bent, en wat je doet en met wie? En dat je het niet wilt weten omdat het zo precies goed is, al voel je dat het nog beter wordt. Zullen we de weg kwijt raken in elkaar, twee lichamen die zo verbonden zijn dat het ene niet zonder het ander zou bestaan, twee monden die het nooit ergens over hebben gehad, ook niet toen ik je favoriete boek las om je te leren kennen. We hoeven het nergens over te hebben. Jij rijdt me naar je huis, je huis waarvan ik al weet hoe het eruit ziet: een muur vol Franse literatuur, je hebt alle boeken gelezen maar weet niet meer waarover ze gingen. Ze gingen over het rauwe leven papa, over bezetenen van wie je niets snapte maar die je eindeloos intrigeerden. Ze gingen over onbegrepen genieën die het leven tot in zijn extremen verkenden, over gekke wijven bij wie het geil uit de oren spoot, over idioten zoals ik die zich tegen bomen kapot reden, die verslaafd waren, die hun leven vergooiden en vlak voor de afgrond een haarspeldbocht namen om op een eiland een boek te gaan schrijven. Over vrouwen die hun vader verleiden.
Ik ga met je mee, ik laat me door je neuken tussen je boeken, zonder dat we uitspreken dat ik je dochter ben, jij mijn vader bent. Ik ga weg en kom terug en we neuken elkaar naar het gebied waar je niet meer weet wie of wat je bent, en dan.

Dan mag je sterven, zonder dat we het er ooit over hebben gehad, maar niet zonder dat we het hebben gedaan.

Je dochter

 

(P.S. Lieve mensen, geen zorgen, dit is kunst.)

Advertenties

boeddha zegt jezus

Waarom was Boeddha trouwens zo dik? Is dat niet raar voor iemand die al het lijden ontstegen is? Dan heb je toch niks meer weg te douwen? In wat voor woud had hij zich zo lang teruggetrokken dat hij daar zo volgevreten uitkwam? Groeiden de Snickers toen nog aan de bomen? Misschien was er een tankstation in de buurt en kon je daar destijds nog niks gezonds kopen.
“Wa bende gij dik”, zei de koning toen Boeddha uit het woud gesjokt kwam. “Ik kon er niks aan doen, pap”, zei Boeddha, “ze hadden daar alleen maar van die vette zooi. Wat had ik dan moeten doen volgens jou, meneigen laten verhongeren?” Keizwaar was hij geworden, maar verlicht dat hij was.

Of misschien was Boeddha helemaal niet dik, maar leed de beeldhouwer die het eerste beeldje van hem kleide, aan een eetstoornis. “Wat bende toch mager jongen”, zei hij “zo kende gij uw eigen toch niet vertonen”, en hij flatste er nog een klats klei bij. “Ik ben niet mager”, zei Boeddha, “gij bent dik!” De beeldhouwer plukte nog een Snickers van de boom.
Het is vast allemaal verkeerd overgeleverd, net als de bijbel. Als die discipelen al maar half te vertrouwen waren, hoezo zou je dan letterlijk geloven wat er 200 jaar na Jezus’ dood pas is opgetekend? Kun jij letterlijk herhalen wat jouw overgrootvader heeft verteld? In het Hebreeuws? Je weet toch hoe dat gaat als een verhaal door vier monden gaat, daar blijft niks van over. Eigenlijk zou er aan het begin van de bijbel moeten staan: “De buurvrouw van iemands moeder die de vriendin van de neef van Jezus kende, vertelde dat Jezus zei…”

En nou heeft iedereen die vetklep op de schouw staan. Vroeger hing Jezus een stukje daarboven, de marteldood te sterven, voor onze zonden nog wel, zogenaamd. “Nee, niet voor jullie zonden”, riep Jezus nog voor hij stierf, “maar om te showen dat pijn en dood niet echt bestaan!”
“…en zonden bestaan evenmin”, wilde hij er nog aan toevoegen, maar hij was al dood.
“Hadden gullie dat ook gehoord”, zei Judas later tegen de discipelen, “dat Jezus zei dat zonden helemaal niet bestaan?”
“Dat zou jou wel goed uitkomen of nie Judas, als zonden nie bestaan”, zeiden de discipelen in koor, “volgens mij moete gij uw mond onderhand een bietje houden, wat denkte zelf?”
“Ja, dat is ook wel zo”, zei Judas, en hij telde langzaam tot drie.
“Sjeesus”, mopperde Boeddha, “ik zei 500 jaar geleden toch al dat lijden een illusie is. En nou maakt Hij er de blits mee. Trouwens, wat maakt mij het uit.”

Zei er iemand godslastering?
“Ja dat was ik”, zei Jezus, “ik zei: weet je wat pas godslastering is…
de bijbel…”
zei Jezus.

sharon

Alvast een stukje uit mijn boek De slaaf en de dienaar. Ik lig hier in het verpleeghuis.

“Kan ik misschien iets voor jóu doen?” Er staat een blonde vrouw voor me. Struis is het allerbeste woord voor haar. Brigitte Kaandorp kan haar denk ik goed nadoen.
“In welke zin?” vraag ik. “Misschien kan ik je helpen met je kamer opruimen”, zegt ze, “of een beetje gezellig maken?”
Ah, het is een vrijwilliger.
“Ik zou eigenlijk niet weten wat…”
“Anders laat me je kamer even zien”, zegt ze. “Wil je dat?”
“Ja hoor.” Opmerkelijk hoe je sommige mensen meteen kunt hebben. “Zal ik je eens lekker duwen?” vraagt ze.
“Heerlijk.”
“Vind je dit nou een gezellige kamer?” vraagt ze als we mijn kamertje binnenkomen. Het is een retorische vraag. “Ik hou niet zo van gezellig op het moment”, zeg ik. “Er hangt helemaal niets aan de muur!” roept ze graag, “en waarom ligt dit op de grond?”
“Dat is een beetje gevallen en daarna heb ik het niet meer opgeraapt. Zeker niet toen ik er al een paar keer overheen gereden was met mijn rolstoel.”
“Hier zou je gewoon iets op moeten hangen, vind je niet? Een schilderij of een foto. Heb je foto’s?”
“Ik ben bang voor foto’s. Ik wil dat het vooral rustig is hier.”
“En waarom staat dit tafeltje met je laptop achter je bed? Kun je er zo wel bij?”
“Ja, best wel.”
“Dat kan toch veel beter hier staan, hiernaast. Dan kun je zo hup en zo hup. En dan zet ik daarachter een plant.”
“Een plant?”
“Ja, die staan op de gang allemaal in de vensterbank, wacht ik pak er een. Anders rij even mee, dan kun je er een uitkiezen.”
“Deze”, zeg ik en ik wijs naar een grote fuchsia met wel honderd bloemen en knoppen.” Ik pak hem en zet hem op mijn schoot.
“Zal ik je eens even goed helpen met je kamer?” vraagt ze.
“Ja!”
De vrouw heet Sharon. Sharon heeft er zin in. En oog voor. “Wat doen al die papieren hier los?”
“Ik moet een keer een map bestellen op internet’, zeg ik.
“Oh die heb ik nog wel. Neem ik dinsdag voor je mee. En heb jij geen kastje onder je wastafel? Waarom niet?”
Ik haal mijn schouders op. “Ik ben zo terug”, zegt ze. Een minuut later is ze terug met een rood hoofd en een kastje. “Kijk deze vond ik op de gang. Volgens mij is die van jou. Kijk dit erin en dit erin. Zo. Staat toch een stuk beter vind je niet?”
“Ja!”
Een half uur later is mijn kamer veel logischer. Rustiger.
“En als je deze mooie zijden shawl nou hier ophangt aan de muur…”
“Dat is een rok.”
“Oh een rok. Heb je die veel aan?”
“Nooit.”
“Zal ik hem mee naar huis nemen, wassen, strijken, en dan dinsdag mooi ophangen?”
“Ja!”

Een week later zijn alle bloemen uit de plant gevallen.
“Wat doet dit kastje hier?” vraagt Mietse de verpleegkundige.
“Hij wilde graag hier staan”, zeg ik. De stagiaire die achter Mietse staat, kijkt me opeens heel erg aan.
“Die is niet van jou”, zegt Mietse, “die hoort op de kamer van mevrouw Weiss.”
“Daar wilde hij niet staan. Hij vond mevrouw Weiss nogal negatief. Dat is ze natuurlijk ook, Mietse, zeg nou zelf: zou jij de hele dag bij mevrouw Weiss op de kamer willen staan? Dus vroeg hij of hij hier mocht staan. Ik zei: dat is goed, maar niet leeg. Dus heeft hij zichzelf gevuld en sindsdien staat hij hier. Zo is het gekomen.”
“Hoe komt dat kastje hier, Eefje?”
“Heb ik gepakt.”
“Dat kun jij niet pakken. Daarvoor is het te groot.”
“Ik kon opeens lopen, ik dacht als ik toch kan lopen kan ik net zo goed meteen iets dragen. En zo is het gekomen.”
“Wie heeft dat kastje hier neergezet, Eefje?” vraagt Mietse.
“Zij”, zeg ik en ik wijs naar de stagiaire. Mietse en de stagiaire gaan weg. “En zo is het gekomen”, zeg ik. Ja, het gaat steeds beter met me.

poepgaatje

Ik kijk naar het poepgaatje van mijn hond Charlie als die zich over een bot ontfermt. Het poepgaatje spant en ontspant, rukt uit en trekt terug, vol overgave. Als een op zichzelf staand leven in blakende gezondheid, een ster aan de hemel die keihard gaat voor zijn stralende bestemming. Wat een levenslust. “Ik weet niet precies wat ik aan het doen ben, maar het is fucking lekker”, puft het poepgaatje en het wipt lustig door op de muziek van de hond. Ik wist niet dat je van een poepgaatje kon houden.

Ik zou het bijna willen aanraken, maar poepgaatjes moet je met rust laten. Ze schrikken als je te dichtbij komt. Misschien zou het zijn angsten kunnen overwinnen met cognitieve gedragstherapie: steeds een klein beetje angst in de ogen kijken, stap voor stap vertrouwen krijgen in die dreigende, naderbij komende vinger die inderdaad tot vreselijke dingen in staat is maar heus niet nu, want het is de vinger van het vrouwtje en het vrouwtje houdt van de hond, dus ook van het poepgaatje. Het vrouwtje wil alleen het beste voor het poepgaatje. Gelooft het poepgaatje dit? Nee. Ergens weet het dat het vrouwtje niet te vertrouwen is. Zoals die keer dat Charlie de restjes hete spareribs mocht opeten, en het poepgaatje een dag lang ongenadig in de fik had gestaan. Intuïtief had het aangevoeld dat die spareribs geen goed idee waren, maar wat weten poepgaatjes nou helemaal op de schaal der dingen? “Het is vast weer mijn angststoornis”, dacht het en het was een dutje gaan doen, veilig weggedoken in de donzige heuvels van Charlies derrière. De hete oorlog die vervolgens door hem heen vlamde, kliefde onherstelbaar diep in zijn ziel, hoe hard Charlie ook likte en hoe dankbaar het poepgaatje hem daar ook voor was. Nooit meer zou hij nog ongeremd van het leven kunnen genieten.

Hoewel.
Ik zie hier nu geen poepgaatje met een trauma, op deze zachte zondag in september. Ik zie een poepgaatje dat onbeteugeld door het leven galoppeert, in perfecte balans met zijn paard de hond, samen één op de golven van een natural high. Ik zie wat mij nooit is gelukt, wat ik mijn ganse leven al najaag, overal zocht maar niet vond, en wat nu voor mijn ogen door een miezerig poepgaatje gladjes wordt binnengeslingerd. Over de rug van mijn Charlie. “Dit pakken ze mij in ieder geval niet meer af”, hijgt het poepgaatje.
En ik dan? Net genoot ik nog van de schoonheid van de natuur, het perfecte kontje van mijn hondje, ook best een natural high als je de lat niet te hoog legt. Maar nu?

Nu ga ik lekker hete spareribs halen.

de waterkoker

Mijn leven gaat al een maand over een waterkoker. Of eigenlijk: over drie waterkokers. In één maand zijn er in dit huis drie waterkokers om het leven gekomen. Wie is de moordenaar?

Dominique, mijn huisgenote, kan het niet zijn geweest want zij heeft in haar leven nog nooit iets kapotgemaakt en zou zoiets ook nooit doen. Dus óf het is een wonder, of.. eh even denken hoor, wie zou het verder nog gedaan kunnen hebben?
Ik?
Ik die het knopje van de waterkoker altijd voortijdig omlaag klik wat dus he-le-maal niet blijkt te mogen? Ik die hoegenaamd geen spullen bezit die nog intact zijn? Ik die altijd de koelkast open laat staan, de huissleutels kwijtraak, de zaklamp van Dominique binnen één (1) seconde molde en altoos rondloop in bevlekte en aangevreten kleding? Ik die niets uit haar tas kan halen zonder dat het besmeurd is met inkt of chocolade?
Nee, ik kan het denk ik niet gedaan hebben.
Dus ik terug naar de waterkokerwinkel.
Met iets teruggaan naar de winkel is een van de meest verouderende activiteiten die er bestaan en wat mij betreft ronduit kankerverwekkend. Als ik met iets terug moet naar de winkel, staat dat elke dag bovenaan mijn lijstje, tot de teruggeefdatum is verlopen en het godzijdank niet meer kan. Bij sommige winkels mag je er een maand over doen waardoor die energievretende rukwoorden een maand bovenaan mijn lijstje staan en waarvoor ik alleen al een medallie verdien. Dat hele teruggaan naar de winkel is van voor tot achter een bloeddorstig fenomeen.

Maar soms moet je iets doen wat faliekant tegen je natuur ingaat om te weten wie je ook al weer bent. Dus daar sta ik, aan de balie, gewapend met de waterkoker en de argumentatie van de buurman die elektricien is en die van Dominique die altijd gelijk heeft. De zinnen die ik tegen de verkoper oplepel, bevatten door mij nooit uitgesproken woorden zoals ampère, voltagemeting en automatische uitschakelfunctie. Taalkundig zit mijn verhaal foutloos in elkaar maar natuurkundig zit ik meestal rond de 4.
“Ik zal eens even kijken”, zegt de verkoper. Hij pakt de waterkoker, vult hem met water en zet hem aan. Hij doet het.
Hij doet het?
Ik vraag me af of ik de dosis van mijn antidepressiva zal verhogen of dat ik weer zal gaan roken.
“Hoe oud ben ik nu?” wil ik vragen, maar gelukkig zegt de verkoper al iets:
“Hmmm. Hmmm.”
Dat moet ik onthouden, dat kan ik de volgende keer ook zeggen.
“Ik kan geen waterkoker terugnemen die het doet”, zegt hij. “Weet je wat? Als je het nu eens filmt als je thuis bent. Misschien ligt het ergens anders aan. Als we de oorzaak weten, is het makkelijker een oplossing te vinden.”
Ik hou helemaal niet van logica.
“Ik durf hem niet meer zo goed aan te zetten omdat de transformator er de vorige keer uitsprong”, zeg ik.
“Staat hij op een transformátor?” vraagt de verkoper met heel duidelijke letters.
Oh jee. Oh nee. Wat ik nu ook zeg, ik weet zeker dat Dominique straks zegt: “Dat moet je nóóit zeggen.”

Thuis film ik de waterkoker. De eerste vier keer doet hij het. Daarna heb ik geen zin meer en nog meer daarna springt de transformator kapot. “Heb je aan het knopje gezeten?” vraagt Dominique. Ik weet het niet. Ik probeer het zo hard wel te weten dat dingen in mijn hoofd gedoorelkaard raken.
“Nee”, antwoord ik.
Weer terug naar de waterkokerwinkel, ik ben inmiddels bejaard, weer doet de waterkoker het, weer zegt de verkoper dingen. Als hij op zou letten zou hij zien dat er voor zijn neus iemand zo hard staat te verouderen dat het elk moment gebeurd kan zijn.
Maar hij let niet op.
Ik voel de tranen branden. (Om een waterkoker?)
“Ik wil u toch nog een keer vragen het te filmen”, zegt de verkoper.
“NEE”, zeg ik terwijl ik mijn laatste adem uitblaas, “alstublieft.” Ik geef hem de waterkoker. “Ik wens u een fijne dag.”
Bij een andere winkel koop ik een nieuwe.

Een dag later. Ik ben weer jong. Ik ben alleen thuis en zet de waterkoker aan. Het water kookt. De stoppen slaan door.
Heb ik aan het knopje gezeten?
Ehhhhh.
Ik zoek in mijn hoofd maar ik zie alleen maar nullen.

 

Gepubliceerd in de Amigoe

kia picanto

Ik sta met mijn hondje aan de Kaya Corona te liften. Mijn Suzuki Samurai ben ik onderweg verloren. De uitlaat is er onderuit gevallen. Ik reed nog even door maar de herrie van de slepende uitlaat over het asfalt klonk alsof de hulk met zijn nagel over het bord kraste. Dwars door mijn ziel en mijn zaligheid en mijn onderbroek.
Het gaat snel in mijn hoofd. Pas volgende week weer geld voor de reparatie. Straks liftend naar mijn werk en terug. Bij Gio’s mag ik op de pof, dan kan ik als lunch een ijsje en een cappuccino nemen. Thuis heb ik nog oud brood en pindakaas voor vanavond. En een banaan die misschien niet eens zo rot is. (Een tosti met banaan en pindakaas was het lievelingskostje van Elvis.) Vanavond kan ik wel met Trudi en Peter meerijden. Misschien mag ik van barman Edwin bij Cuba een pakje sigaretten lenen omdat ik dat slijmverhaal over hem schreef. Dan hoef ik niet weer mama te vragen om 100 dollar. En morgen weer een mañana.

“Ga terug naar Start”, zegt het leven.
Ik zucht. Ik ben gewend om terug naar Start te gaan. “Kijk de zon eens schijnen”, zeg ik hardop. Uit pure luxe kies ik voor dit leven. Sla baantjes en goedbetaalde opdrachten af die me niet laten glimlachen. Ik ben op een missie. Ik volg het licht. Heb mezelf beloofd nooit meer anders te doen. Het spel van het leven uit te spelen zo lang als nodig. Telkens als ik weer terug moet naar Start, krijg ik de kans deze keuze te heroverwegen. Ik stem me opnieuw af op het licht, wortel in mijn missie, bestendig mijn levensbestemming. Ik ben bedoeld om te stralen. Verstandig denken is soms het domste wat je kunt doen. De rechtstreekse vijand van het licht.

Bovendien: over anderhalve week win ik een Kia Picanto. Vorige week mocht ik van mijn buurman een lotje uitkiezen bij Kooijman. Eén lotje zei: “Glim glim, ik ben het.” Al mijn intuïtie-lampjes sprongen aan.

Wil ik een Kia Picanto? Nee. Ik wil een Jeep Cherokee, of een Chevrolet Tahoe of een tractor. De Kia Picanto is voor mij de laatste uit de klas die je kiest bij gym. Die drol die nog geen bal kan vangen al leg je hem in zijn handen. Het gegeven paard dat uit zijn bek stinkt. Het mongooltje onder de auto’s. Als ik hem straks win, ben ik bang dat ik zeg: “Oh nee KUT.”
Op internet leer ik dat de Kia Picanto uit de Hyundai-familie komt. Wat is God toch grappig. Mijn supervriend Louis heeft ooit een tijdje in een Hyundai Santa Fe moeten rijden voor zijn werk. Wij, de avant-gardisten van de goede smaak, haalden onze fijne neus op voor die bak.
“Schaam jij je niet als je uitstapt?” lachte ik.
“Ik parkeer hem altijd ergens om de hoek”, zei hij.
En nou zou ik in het debiele zusje van de Hyundai moeten gaan rijden?

Diverse Kia Picanto’s en Hyundais rijden voorbij. “Hallo lieve Kia Picanto’s en Hyundais”, zeg ik. “Nog sorry dat ik toen al die lelijke dingen zei. Ik wist niet dat ik het meende.” Mijn diepe minachting voor de Kia Picanto wordt door het universum vast niet als een uitnodiging opgevat. Een blije mevrouw stopt. Iemand doet het licht aan. Ze moet naar Rincon maar brengt mij graag naar Playa. “Als ik de baas zou zijn van het eiland, zou ik iedereen verplichten elk jaar een week te liften”, zeg ik geweldig.

’s Avonds staat de buurman aan de deur met een bakje erwtensoep. Rijke gevulde erwtensoep met een uitgebalanceerd smakenpalet: mijn buurman is twintig jaar chef-kok geweest. Fuck Elvis.
“Waar is je auto?” vraagt hij. (De buurman.)
“Beetje kapot”, zeg ik.
“Hoe moet je dan vanavond gaan dansen?” vraagt hij. “Wil je mijn auto lenen?”
Ik parkeer zijn geile rode 4-wheel drive bij Cuba voor de deur. “Mag ik een pakje sigaretten van je lenen, ik ben zo blut”, vraag ik aan Edwin.
“Doe niet zo raar”, zegt hij, “natuurlijk. Wat wil je van me drinken?”

Ga terug naar Start, naar het licht in je hart.

 

edwin

Op het toilet van Cuba Compagnie kom ik erachter dat ik mijn onderbroek binnenstebuiten aan heb. “Goed zo Luisa”, zeg ik tegen mezelf, “weer niet nagedacht.” Ik vind niet nadenken belangrijk. Het was mijn goede voornemen voor dit jaar.

Ik ga weer bij Edwin aan de buitenbar zitten.
Edwin is een raspaardje van het zuiverste homowater. Speciaal gefokt voor zijn taak: de buitenbar. Een luidruchtige nicht die de burger tot aan de grens van zijn comfortzone jaagt. En erover. Elke dag volle bak aan de buitenbar. “HÉ DEUTSCHLAND”, roept hij nu tegen twee vrouwelijke Duitse gasten “ES GIBT HIER AUCH ZWEI DEUTSCHE MÄNNER, KOM MAHL HIER!”
Toch moet ik lachen.

Ik ontmoette Edwin op een dag dat ik wakker werd met het gevoel dat God me verlaten had, terwijl ik niet eens in de gaten had gehad dat Hij bij me was geweest. Dan maar de deur uit, dingetjes doen, mijn zwarte hart als een graf voor me uit duwend. Vurig hopend dat God alsnog iets zou laten horen. Mijn zesde zintuig op scherp voor een teken van boven. Een vreemde zou naar me kunnen glimlachen, iemand zou me kunnen voorlaten in het verkeer, ik zou een kokosnoot kunnen vinden of een bloem. Nog niet bijna. Ik werd genegeerd nog voor ik verscheen. Mensen die ik voorliet, spuugden me na. Bloemen keerden hun rug naar me toe. Overal werd ik weggewalgd. Dan maar even bij Cuba aan de buitenbar naar de zonsondergang jammeren. Achter de bar een nieuwe randdebiel zo te zien. Edwin heette hij. Wees er maar vet mee.

Als een afgeklapte kleuter zag ik ongelovig toe hoe Edwin met de grootste toewijding mijn thee met melk prepareerde en speciaal voor mij naar de keuken galoppeerde om chocola te halen. Wilde ik misschien extra suiker? Liever honing? Zoetjes? Kandij? Weet je wat, hij druppelde er wel een paar zoete woordjes in met diamanten complimenten erop. De andere gasten, welke andere gasten? Edwin praatte een half uur over mijn geweldigheid en de opluchting die ik was in zijn bestaan als horecahoer. Dat hij het allemaal niet deed of zei, omdat hij er zo snel mogelijk in moest, hielp. Misschien dat Edwin mijn gevoel herkende van alomtegenwoordig afgewezen worden. Want homo zijn op Bonaire, dat is niet voor mietjes.

De vloeibare liefde die hij voor mijn neus zette, wekte mijn hart met elk slokje weer een beetje tot leven. Ik kon wel janken. God kon wat mij betreft samen met zijn eeuwige zonsondergang zo de horizon in zakken.
Of trouwens.
Caramba.
Edwin was natuurlijk door God zelf gestuurd. Een afgezant om mij te vergewissen dat Hij me helemaal nooit verlaten had.
Edwin de Engel.
Nooit erbij stilgestaan dat engelen natuurlijk ook gewoon homo kunnen zijn.
Weer niet nagedacht.
Goed zo Luisa.

 

wat zeg je

Ik doe steeds vaker alsof ik naar iemand luister terwijl dat niet zo is.
Het stamt nog uit de tijd dat ik, jaren geleden, tijdelijk slechthorend was. In eerste instantie vond ik die doofheid onhebbelijk: ik moest steeds wat zeg je vragen om nog enige controle te hebben, of op zijn minst het laatste woord.

Tot ik besloot daarmee op te houden. Uit pure uitputting legde ik me neer bij het niet weten. Niet weten wat er aan de hand was en niet weten waar het over ging. “Ik heb geen zin meer om wat zeg je te zeggen”, zei ik. En dat was dat. Ik deed mijn best niet meer om anderen te verstaan en ik trok me terug in mijn eigen huisje waar rust, wijsheid en liefde altijd al op me hadden liggen wachten.

Ik ontdekte dat ik niets miste. Dat er eigenlijk nooit iets aan de hand is, laat staan dat het ergens over gaat. Terwijl ik luisterde naar de vredige melodie van mijn eigen frequentie, hoorde ik hoe er buiten mensen probeerden me wat duidelijk te maken, en dat was prima. In de pilot-fase riep ik nog vaak uit plichtsbesef uit het raam: “Je weet dat ik het meeste van wat je zegt, niet meekrijg?”, maar dat lokte bij hen weer het plichtsbesef uit om alles te gaan herhalen. Het kwam me voor dat ik het beter als een ongeschreven regel kon beschouwen dat ik het allemaal niet zo bijhield.

De tijdelijke slechthorendheid verbeterde, ik had het gevoel alsof er een glasplaat tussen mij en de wereld werd weggehaald. Maar wilde ik dat wel?

Nu, zoveel ouder, zoveel wijzer.
Ik hum wat mee met gesprekken, het is meer een muzikale ontmoeting, een duet. Je zou kunnen denken dat ik de beperking van taal als communicatiemiddel ben ontstegen met een intuïtief klankenpalet, maar het lijkt me eerder pure desinteresse mijnerzijds. Onbewust ontwikkelde ik een zesde zintuig voor het juiste antwoord. Ik ben een simpel ‘ja’ of ‘nee’ al lang voorbij. Veels te beperkt, veels te aards. Iets kan nóóit alleen maar ja of nee zijn. Ik heb een ‘oh’ gecultiveerd dat je op minstens vier manieren kunt interpreteren: als ja, als nee, met een vraagteken erachter of met een uitroepteken (en daar weer combinaties van). De ontvanger kan zelf kiezen, of eigenlijk doet de ontvanger dat niet eens, als het goed is. Het wordt voor ons gedaan.
De gesprekken voeren ons.
Het laatste woord is dan altijd: ik heb geen idee wat er aan de hand is of waar het over gaat.
Dan zegt de ander: ik ook niet.
En dan ben je weer bij het begin.

rijk

“Wat zou jij doen als je schatje-schatje-rijk was?” vraag ik aan een volwassen vriendin.
“Oh daar ben ik helemaal niet mee bezig”, zegt ze met dat gezicht van haar.
“Ik vroeg niet of je er veel mee bezig bent.”
“Nou weet ik niet, maar ik ben er gewoon niet zo mee bezig.”
“Jawel jongen.”
“Nee echt, ik heb niet zoveel nodig.”
“Wat zit je nou heilig te doen”, zeg ik. “Als ik hier een boodschappentas met gratis geld neerzet, hoef jij dan niks? Zeg op zijn minst dat je een weeshuis zou stichten.”
“Ik zou een weeshuis stichten”, zegt ze.

Ik zou gesprekken echt beter in mijn eentje kunnen voeren. Als ik de helft uit handen geef, zeggen ze zo de verkeerde tekst op.
“En jij?” vraagt ze.
Gelukkig, ik ben aan de beurt. “Ik zou een kunuk kopen aan zee en vijf paarden”, zeg ik. “En ik zou een dikke DIKKE auto kopen.” “Zó dik, dat ik bij het instappen telkens in de lach schiet en denk: Christmus-zielen wat heb ik een DIKKE auto.”
“Zo’n auto die een aanslag is op het milieu? En daar ga jij dan in je eentje in zitten?”
“Ja! Nee, met mijn hondje. En ik wil elke dag een nieuwe onderbroek aan.”
“Dat wilde ik vroeger ook. Maar nu vind ik dat wel een beetje verspilling.”

Zie je. Nou heb ik geen zin meer om rijk te zijn. Bewuste mensen met hun geheilig, ik krijg er jeuk van. Het lijkt wel een plaag. Ik durf ook niet meer naar yoga, daar liggen ze tegen elkaar op te pochen wie het meest verlicht is. Alsof er karmapunten worden uitgedeeld. Ze doen heel zen maar  van binnen woedt de kanker door al die ingeslikte emoties. Je gaat vanzelf meeveinzen als je er te vaak rondhangt. “Ik heb geen geld nodig om me rijk te voelen”, hoor je jezelf liegen. Hielk.

“Dan wil ik trouwens ook wel een nieuwe auto”, zegt ze. Niet heel groot maar wel een nieuwe, die heb ik nog nooit gehad.”
“Nee”, zeg ik. “Nou ben ík rijk, jij bent af. Jij bent weer arm. Weet je wat ik ook wil? Iemand die ik kan bellen.”
“Iemand die je kunt bellen? Voor seks?”
“Nja nee. Voor dingetjes. Regeldingetjes of dingetjes waar ik zin in heb: “Hallo met mij weer. Haal voor mij effe bij Gio’s zo’n ijsje. En vergeet niet die 100 onderbroeken te bestellen. Het is zo heet nu, ik verslijt er soms wel drie per dag. Hou je dat voortaan zelf bij?”
“Een personal assistant”, zegt ze.
“Ja. Een knechtje. Dat word jij!”, zeg ik. “Jij wordt die iemand die ik kan bellen. Voor een hongerloontje, want jij hebt toch niet zoveel nodig -heb je net gezegd. Maar je krijgt er vast puissant veel karmapunten voor.”

Ik ga het doen. Ik ga rijk worden.
Die karmapunten, die koop ik wel ergens.